Nieuw ANBI-beleidsbesluit juli 2025

15 december 2025

Per 3 juli 2025 strengere eisen en belangrijke aandachtspunten voor goededoelenorganisaties

Op 3 juli 2025 is een nieuw beleidsbesluit gepubliceerd met betrekking tot Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI’s). Dit besluit bevat zowel verduidelijkingen als aanscherpingen van het bestaande beleid. Zo zijn onder andere de regels voor het vormen van reserves en fondsen aanzienlijk strenger geworden. Diverse van deze aanscherpingen werden in de praktijk al door de Belastingdienst toegepast en zijn in recente kennisgroepstandpunten al tot uiting gekomen, maar waren tot op heden niet (expliciet) gepubliceerd. Voor bestuurders en adviseurs van ANBI’s is het van groot belang om deze wijzigingen zorgvuldig te analyseren. In dit artikel gaan wij in op de belangrijkste nieuwe of gewijzigde onderdelen van het besluit.

Daarbij is het belangrijkste onderdeel het vormen van reserves en fondsen in relatie tot het bestedingscriterium (anti-oppoteis), om welke reden wij hierbij in dit artikel ook zullen aangeven welke reserves en fondsen op basis van andere wet- en regelgeving nog mogelijk zijn alsook welke reserves en fondsen in het beleidsbesluit niet expliciet worden uitgesloten.

Let op: het beleidsbesluit geeft de standpunten van de Belastingdienst weer en is dus geen wet. Desondanks kan een instelling die niet voldoet aan het besluit te maken krijgen met een intrekking van de ANBI-status. Die intrekking zou dan eventueel weer aangevochten kunnen worden in bezwaar en beroep, maar dat leidt wel tot onzekerheid over belangrijke fiscale vrijstellingen en faciliteiten. Wij adviseren dus hoe dan ook goed te kijken naar de hoogte van en toelichting op alle reserves en fondsen.

Soorten reserves en fondsen

Een ANBI mag volgens de Belastingdienst niet meer vermogen aanhouden dan nodig is voor de continuïteit van haar voorgenomen werkzaamheden. Voor de Belastingdienst is hierbij het bestedingscriterium van belang (ook wel de anti-oppoteis genoemd). De volgende drie soorten reserves en fondsen zijn in ieder geval toegestaan volgens het besluit:

  1. Een continuïteitsreserve
  2. Reserve voor voorziene werkzaamheden (een bestemmingsreserve)
  3. Stamvermogen (een bestemmingsfonds)

Deze drie soorten reserves worden later in dit artikel uitgewerkt, waarbij de aangescherpte invulling van de reserve voor voorziene werkzaamheden en de aanscherping voor stamvermogen in ieder geval opvallend zijn.

Afgezien van voorgenoemde reserves en fondsen zijn volgens de Raad voor de Jaarverslaggeving daarnaast nog de volgende reserves en fondsen mogelijk (gebaseerd op het model RJ 650), welke in het ANBI-beleidsbesluit niet expliciet worden genoemd en/of uitgesloten:

  • Statutaire reserves (functioneert vaak als statutair vastgelegde reserve als bron in inkomsten, namelijk waarbij met de rendementen van belegd vermogen de ANBI-activiteiten kunnen worden bekostigd en waarbij dit statutair is geregeld)
  • Bestemmingsreserves, anders dan in het beleidsbesluit genoemd, zoals:
    – reserve financiering activa;
    – reserve als bron van inkomsten;
    – reserve fluctuatie koersverschillen;
    – reserve exploitatietekorten komende jaar/jaren.
  • Herwaarderingsreserve
  • Overige reserves
  • Overige bestemmingsfondsen, anders dan in het beleidsbesluit genoemd, zoals niet bestede gelden die door derden zijn verstrekt voor een bepaald doel (bijvoorbeeld noodhulp in een bepaald land) anders dan stamvermogen.

Van belang is om te realiseren dat het vaststellen van een jaarrekening volgens de RJ op zichzelf niets zegt over de vraag of de reserves voldoen aan de ANBI. De ANBI-toets blijft altijd een zelfstandige fiscale beoordeling.

Nadere toelichting reserves en fondsen uit het ANBI-beleidsbesluit

De nadere toelichting over drie expliciet door het Beleidsbesluit genoemde en goedgekeurde reserves en fondsen is als volgt (waarbij vooral bij de tweede en derde enige aanscherpingen bevatten).

  1. Continuïteitsreserve

Een continuïteitsreserve is toegestaan met als vuistregel 1,5 maal het gemiddelde kostenniveau van de eigen werkorganisatie. Een hogere continuïteitsreserve mag volgens de Belastingdienst worden aangehouden, mits de noodzaak daarvan voldoende is onderbouwd in de financiële administratie van de ANBI. Ten aanzien van dit laatste punt sluiten wij – voor de jaarrekening – aan bij de door de CBF genoemde norm in de Erkenningsregeling: als een reserve bestemd is om risico’s af te dekken, legt de organisatie de gewenste omvang van de reserve vast op basis van een risicoanalyse. Voor zover deze risico’s zien op het in stand houden van de eigen werkorganisatie, is dit volgens dit besluit naar onze inschatting ook fiscaal toegestaan.

Er mag geen continuïteitsreserve gevormd worden voor ‘algemeen nuttige uitgaven’, waarmee variabele of projectkosten worden bedoeld. In de vragen en antwoorden uit de online kennissessie d.d. 17 september 2025 wordt aangegeven dat het om een fiscaal geaccepteerde buffer mag gaan van 1,5 maal de vaste jaarlijkse kosten van de organisaties (zoals personeel, kantoor en huisvesting).

  1. Bestemmingsreserves

Een reserve voor voorziene werkzaamheden (in de RJ valt dit onder de categorie bestemmingsreserves) mag volgens het beleidsbesluit alleen worden gevormd als deze wordt onderbouwd met concrete projecten en bijbehorende bedragen. Dit vereiste werd in de praktijk al door sommige inspecteurs gehanteerd, maar is nu formeel vastgelegd.

  1. Stamvermogen

Stamvermogen betreft vermogen dat uit een schenking of nalatenschap is verkregen en dat op grond van expliciete voorwaarden van de schenker of erflater in stand moet worden gehouden. Ontbreekt een dergelijke bepaling, dan kwalificeert het vermogen niet als stamvermogen. Stamvermogen moet aan de volgende nadere eisen voldoen:

  • Stamvermogen mag niet door het bestuur worden aangewezen.
  • Ongerealiseerde waardestijgingen (zoals koerswinsten op aandelen) gelden volgens het beleid als rendement dat besteed moet worden, tenzij de schenker expliciet heeft bepaald dat de vermogensbestanddelen zelf behouden moeten blijven.
  • Een ANBI mag een vast bestedingspercentage hanteren over het stamvermogen, mits dit onderbouwd is met een meerjarige rendementsprognose en jaarlijks wordt herijkt. Dit biedt enige
    ruimte, maar vereist een zorgvuldige monitoring.

Afwegingskader van vormen van reserves en fondsen

Het is in ieder geval duidelijk dat een overige reserve (ook wel genoemd een algemene reserve) door de Belastingdienst niet is toegestaan, omdat de naam al aangeeft dat hiervoor geen duidelijke bestemming is. Voor de overige reserve moet beoordeeld worden of deze onder een (andere) erkende reserve kunnen worden geschaard, op basis van de ANBI-regels.

Daarom is het van belang bij de vorming van reserves en fondsen in ieder geval rekening te houden met onderbrenging binnen de expliciet toegestane reserves en fondsen volgens het ANBI-beleidsbesluit:

  1. Een continuïteitsreserve
  2. Reserves voor voorziene werkzaamheden (een bestemmingsreserve)
  3. Stamvermogen (een bestemmingsfonds)
    Eventueel zou gedacht kunnen worden aan andere reserves en fondsen, maar dat hangt sterk af van de situatie:
  4. Statutaire reserves
  5. Bestemmingsreserves (niet zijnde voor voorziene werkzaamheden)
  6. Herwaarderingsreserve
  7. Bestemmingsfondsen (niet zijnde voor stamvermogen)

 

Bij alle reserves en fondsen is het van belang dat die goed worden onderbouwd qua omvang en bestedingshorizon. Bij categorie 4 tot en met 7 is deze onderbouwing des te meer van belang. Het risico in de categorie 4 tot met 7 is namelijk groter om voortaan afgekeurd te worden door de Belastingdienst als hier geen goede onderbouwing voor is en een plan voor besteding (doorgaans binnen 2 jaar). Enerzijds lijkt het besluit categorie 4 tot met 7 niet specifiek mogelijk te maken, maar anderzijds zou ook beargumenteerd kunnen worden dat dit nog past, zeker op basis van een bredere wetsuitleg. De onzekerheid over dit soort reserves neemt helaas toe. Bij ANBI’s die vermogen willen reserveren voor de lange termijn, dan wel omvangrijke reserves en fondsen hebben in categorie 4 tot en met 7, kan het verstandig zijn om nader advies in te winnen en op basis van dit advies zo nodig overleg te treden met de Belastingdienst.

Tenslotte merken we nog op:

  • Inzake de bestemmingsreserve ‘reserve als bron van inkomsten’ verwijzen wij ook naar Tydeman-Yousef en Van Vliet, ANBI’s in beeld: de evaluatie van de ANBI-regeling en de kabinetsreactie daarop, Weekblad Fiscaal Recht 2025/229. Hierin zijn zij van mening dat deze toegestaan kan zijn, niet als stamvermogen aangewezen door derden, maar als reserve die benodigd is om met de rendementen de ANBI-doelstellingen te verwezenlijken. Voor zover bekend is de Belastingdienst het hier nog niet expliciet mee eens.
  • In de uitvoeringsregeling AWR wordt de bestemmingsreserve ‘reserve financiering activa’ toegestaan
    onder voorwaarden.

Overige onderwerpen in het ANBI-beleidsbesluit

Crowdfunding en loketinstellingen
Het besluit biedt concrete handvatten voor de beoordeling van zogeheten crowdfunding- en loketinstellingen. Loketinstellingen die uitsluitend gelden voor doorstorten op aanwijzing van de donateur, zonder een eigen algemeen nuttige doelstelling na te streven, zijn geen ANBI. Dit geldt in ieder geval voor instellingen die deze activiteiten als enige doel hebben, zo blijkt uit het besluit. In de praktijk zien wij dat het geven van geoormerkte giften op basis van duidelijk en concreet eigen beleid van een ANBI wel mogelijk blijft.

Nieuw is een uitleg over crowdfunding, waarbij de ‘crowd’ bepaalt welke projecten financiering ontvangen. Een ANBI die geen steunstichting is, mag alleen aan crowdfunding doen als zij daarin een eigen inhoudelijke rol vervult. Het besluit noemt hierbij enkele relevante beoordelingscriteria ter toetsing van het algemeen nut vereiste, zoals het hanteren van een zelfstandige algemeen nuttige doelstelling en het kritisch en doelgericht uitvoeren van projectselectie en uitbetalingen.

Deze richtlijnen sluiten min of meer aan bij eerdere discussies over de voorwaarden waaronder steun aan niet-ANBI’s mogelijk is. Opvallend is dat het besluit juist over dat aspect – onder welke voorwaarden een ANBI niet-ANBI’s wel of niet mag ondersteunen – niets zegt, terwijl daar in de praktijk veel over te doen is. Steun aan niet-ANBI’s wordt wel genoemd in de genoemde Vragen & Antwoorden naar aanleiding van de kennissessie d.d. 17 september 2025 in het gedeelte over crowdfunding: die steun is mogelijk als het een project betreft dat via een niet-ANBI loopt als dat project aansluit bij het eigen doel van de ANBI.

Welzijnsactiviteiten
Activiteiten die onder de categorie ‘welzijn’ vallen, kunnen worden aangemerkt als algemeen nuttig. In de praktijk leidt dit regelmatig tot discussie over de reikwijdte van het begrip ‘welzijn’. Het beleid verduidelijkt dat instellingen die zich primair richten op persoonlijke ontwikkeling of ontspanning in beginsel niet in aanmerking komen voor de ANBI-status. Volgens het besluit geldt dat activiteiten op het gebied van ontspanning, vermaak (bijvoorbeeld vakanties) en persoonlijke ontwikkeling alleen als algemeen nuttig kunnen worden beschouwd wanneer zij gericht zijn op kwetsbare doelgroepen (zoals zieken, ouderen of mensen in sociaal isolement). Vaak moet dit ook duidelijk zijn vastgelegd in het beleid van de ANBI, is onze ervaring.

Buitenlandse instellingen
Landen die geen lidstaat zijn van de Europese Unie en waarmee Nederland geen relatie heeft tot uitwisseling van gegevens rondom belastingheffing, worden aangemerkt als derde landen. Instellingen die zijn gevestigd in zogenoemde derde landen kunnen nog steeds als ANBI worden aangemerkt. Wel geldt voortaan de verplichting om jaarlijks voldoende inzicht te verschaffen in de feitelijke gang van zaken, bijvoorbeeld via een accountantsverklaring. Bij het ontbreken van dergelijke transparantie kan de ANBI-status worden geweigerd of ingetrokken.

Overig
In het besluit wordt ook nog ingegaan op:

  • De gevolgen van een ANBI-intrekking met terugwerkende kracht voor de schenkbelasting, ook bij begunstigden
  • De vergoedingen voor bestuurders en de Raad van Toezicht van een ANBI
  • De vraag in hoeverre een ANBI een (commercieel) tarief mag vragen voor haar activiteiten

 

Deze drie onderwerpen sluiten aan bij eerder bekende uitgangspunten, maar het kan zeker zinvol zijn ook deze nog eens kritisch na te lopen.

Verder praten?

Heeft u hier vragen over? Neem gerust en vrijblijvend contact met ons op. Onze experts kunnen u informeren en adviseren over de gevolgen van het nieuwe beleidsbesluit voor uw specifieke organisatie.